Trampoline
De oorsprong van trampolinespringen... De eerste vorm van trampolinespringen vinden we terug bij de Eskimo's. Zij gebruikten een walvishuid om elkaar in de lucht te werpen. Er werden ook bewijzen gevonden van mensen in Engeland die elkaar in de lucht gooiden met behulp van een deken. Begin van de 20ste eeuw acts werden opgevoerd waarbij de zogenaamde "verende bedden" werden gebruikt om het publiek te amuseren aan de hand van acrobatische trucjes.

Ondertussen is een ‘trampoline’ al heel wat geëvolueerd. George Nissen ontwikkelde de trampoline zoals we die nu kennen: een nylon mat met gevlochten banden. De mat hangt met stalen veren in een metalen frame. George Nissen heeft eveneens een grote bijdrage geleverd aan de trampolinesport als wedstrijddiscipline. Specifiek gedeelte van trampolinespringen: Het plezier dat men ondervindt bij het bekijken van trampolinespringen op hoog niveau, ligt bij de schoonheid van 'het lichaam in beweging'. De gymnast slaagt erin het lichaam in de ruimte te beheersen op de nodige hoogte.

Een oefening bestaat uit een serie van 10 opeenvolgende sprongen. Enkelvoudige of meervoudige salto met 1 of meerdere schroeven, rugwaarts of voorwaarts… alle combinaties zijn mogelijk.

Puntentoekenning: bij het beoordelen van een serie sprongen worden onder meer de volgende elementen beoordeeld
  • de moeilijkheid
  • de uitvoering
  • de continuïteit
  • de hoogte van de sprongen